een fragment uit 'Windsporen':
De
vergroeide kale boom of struik (dat is niet duidelijk)
staat verlaten in het vaalbruine landschap. Er is geen mens
of dier te bekennen. De bodem oogt uitgemergeld.
Een mismaakte, verkrampte hand met te veel en te magere
vingers… Nee, eerder bevroren zeewier.
Op de achtergrond is de zee zichtbaar, diepblauw met
krijtwitte kuifjes.
De loden gordijnen voor de hoge, rechthoekige ramen zijn
gesloten. Het monotone, snorrende geluid van de
diaprojector verandert in een gelijkmatig zoemen en
verzandt ergens in zijn hoofd. Een hand stelt het bibberige
beeld scherp; het versteende tropenlicht weerkaatst op de
gezichten van zijn klasgenoten.
In het halfduister, te midden van de andere kinderen,
ervaart hij een overweldigend geluk, een gemoedstoestand
die, verstoord door onderdrukt gegiechel en een elleboog
die hem aanstoot, op slag omslaat in ergernis.
Ik moet het vasthouden, denkt hij. Het was zeewier… ja,
zeewier. De zee ruist. Daalt en stijgt.
Achter hem klinkt de sonore stem die alles verklaart:
‘Vrijwel het gehele jaar waait er een krachtige wind: de
noordoostpassaat. De vegetatie is schaars en bestaat
hoofdzakelijk uit cactussoorten, agaven en laag geboomte
zoals de dividivi, die je hier voor je ziet. De typische
langgerekte kruin is het gevolg van de constante
noordoostelijke wind.’
terug naar
publicaties